(de duinen bij Duindorp)
In het Alleencafé in Laak ben ik gevraagd iets over ‘het lege huis’ te vertellen. Daarvoor haak ik aan bij woorden uit het lied Avond van Boudewijn de Groot: ‘De dingen in de kamer zouden levenloze dingen zijn zonder jou.’
Het is alweer bijna tien jaar geleden dat we in Scheveningen een concert van Boudewijn bijwoonden. Toen we verkering (dat bestond nog in 1966) hadden, draaiden we ‘Meisje van zestien’ op Betsie haar zolderkamer. Zo vergezelde Boudewijn ons van de eerste kus tot dat laatste concert in 2005. Samen fietsten we naar huis terug. Twee maanden later was ik mijn huis kwijt: het was een ruimte gevuld met levenloze dingen. Een jas aan de kapstok, schoenen in de badkamer, suizende stilte in haar werkkamer.
Na tien jaar moet je daar toch wel overheen zijn, denkt menigeen. Tja, alsof zo’n verlies om een soort boksprong vraagt. Pastor Marinus van den Berg vergelijkt rouw met een doolhof. Je denkt een heel eind opgeschoten te zijn en dan loop je ineens weer vast en moet je terug. ‘Maar jij hebt gelukkig je geloof’, zeiden mensen soms tegen mij in die eerste periode. Maar ik ‘had’ maandenlang geen geloof. Er was gelukkig veel geloof om mij heen. In de kerk verdronken de liederen in mijn tranen, maar de gemeente hield de lofzang – en mij – gaande.
Bij haar uitvaart vierden we de Maaltijd en de vertrouwde woorden van de liturgie, die mij al een leven vergezellen, hielden mij overeind. En bijna iedereen, gelovig en anders-gelovig, vaag religieus of Pinkster, de collega’s van Betsie uit het Hospice, de vriendinnen van de Quilt Bee, liep te midden van de zingende gemeente naar voren en deelde in het tranenbrood en dronk uit de beker van de vreugde.
Waar ik vroeger zei: ‘Wie gelooft of zich verbonden weet met Christus’, nodig ik sindsdien zonder voorbehoud. De maaltijd, een voorproefje van de tafel die de Heer zal aanrichten voor de volkeren. ‘Maakt u er maar een rotzootje van, dominee’, zei een uitvaartleider toen ik eens buiten het protocol ging. Een jongen, onderweg naar het geloof, vierde eens de maaltijd mee. ‘Als je blij van binnen wordt, is dat de heilige Geest?’ vroeg hij. En hoe weinig ik soms met ‘ervaring’ heb, kon ik niet anders dan ‘Jazeker!’ zeggen. ‘De Here kent de zijnen’, zei mijn oude wijkpredikant in de zestiger jaren. Ik vond dat toen ‘hervormd’ en niet erg evangelisch.
Een burn-out en een huwelijkscrisis verder begon mij te dagen wat uitverkiezing is. Van die momenten dat mijn telefoon ging en haar stem zei: ‘Kom je in de tuin zitten, de thee staat klaar.’ Of wanneer ik haar in de kerk zag zingen en onze blikken elkaar kruisten.
Terwijl ik dit schrijf zie ik het in mijn achteruitkijkspiegel. Inmiddels meen ik het lastigste deel van het doolhof gehad te hebben. Ik merk dat daaraan, dat ‘levenloze dingen’ van toen, mij nu ontroeren en mooie herinneringen oproepen.
En als ik zing, balanceer ik op de evenwichtslat tussen verleden en toekomst. Licht dat mij aanstoot!
